1/5: de balans tussen denken en maken

Ik las ooit in een rapport dat het probleem met technisch maken en meisjes is, dat ze te snel gaat versieren. Dat ze niet echt met de techniek bezig zijn, maar het mooi maken. (En dat de jongens dat veel beter doen: die doen tenminste constructies!) Dat rapport irriteerde me enorm. En ik snap nu waarom.

Als kind heb ik vaak gedacht over denken. En hoe dat werkt. In mijn hoofd zag dat er zo uit:

Er stromen rivieren door mijn hoofd, met ieder een soort thema of onderwerp. Soms al concreet, soms nog vaag. Ze bewegen uit zichzelf en tonen zich helder of juist nog onscherp in de verte. En de rivier die er altijd is -vooraan-, is die van het nu: geluiden (voetstappen, mijn pen op het papier, deuren die open gaan, fietsers in de verte…), handelingen (fietsen naar school, brood smeren, …). Die nu-stroom is er altijd en is geruststellend. Aandacht op de nu-stroom zorgt ervoor dat de andere, moeilijker rivieren blijven bewegen.

Alles opschrijven

Als kind ging ik -om de moeilijke rivieren in beweging te houden- vaak ergens zitten met een opschrijfboekje. In dat boekje schreef ik letterlijk alles wat ik hoorde. Dat hield mijn ‘voorste gedachten’ bezig, waardoor mijn achterste gedachten konden groeien. Dat deed ik, en dat werkte.

Ik doe dat al jaren niet meer, maar moest er aan denken toen ik Gever Tully hoorde vertellen. Hij runt Tinkering School: workshops voor makende kinderen.

Hij vertelt dat zijn cursisten soms ineens stoppen aan een uitdaging of probleem te werken. Dat ze de boel gaan decoreren, terwijl dat echt niet core is. Of liever lijkt. Want later begreep hij dat dat decoreren misschien niet zo productief voelt, maar dat het een essentiële fase is: tijdens het versieren krijgen de hersenen van de makers rust. Ze denken door over hun probleem, maar op iets grotere afstand. Het geeft ze de ruimte de oplossing te laten komen.

Teveel focus duwt de oplossing weg, afstand geeft ruimte.

Nu denk ik dit over denken:

Mijn meerdere gedachten-stromen worden allemaal gevoed door iets doen. Ik denk en doe. Als ik een idee over creativiteit wil begrijpen, teken ik een blog. Terwijl ik teken, ga ik het begrijpen. Net of ik mijn gedachtes dan pas kan vastpakken.

Inmiddels zoek ik dat actief op, en merk ik dat tekenen voor mij een hele goede manier is. Mijn potlood is mijn belangrijkste denk-instrument.

Hoe gaat dat?

Als er een nieuw idee is, kunnen er 3 dingen gebeuren:

  • Het verdwijnt door teveel te denken. Als ik alleen denk, voel ik het verdwijnen. En ik ben vast niet de enige! Teveel aandacht en het droogt op.
  • Het gaat kapot door teveel te doen. Maar ook als ik iets anders ga doen, kan het stuk gaan. Het andere gaat ervoor en erover heen. Mediteren helpt bijvoorbeeld niet: ik vind dat zo vervelend dat gedachten stuk gaan. En hardlopen ook niet: dat vraag zoveel dat het alles wegduwt. Wat ook echt niet werkt, is er meer over te weten komen. Als ik theorieën en meningen van anderen lees in een te vroege fase, gaat het stuk. Dat kan pas als het stevig en eigen genoeg is. Studeren werkt dan ook pas in de eindfase, en niet aan het begin. Meer kennis maakt mijn gedachten en vrije benadering stuk. Ik ben heel benieuwd of dat voor anderen ook geldt.
  • Het groeit door het juiste te doen. Ik merk dat het bij mij het beste gaat als de pauze-activiteit wel in context is, maar iets ervan af. Tekenen werkt, mijmeren werkt. Iets halen bij de Gamma werkt.

Kun je dat plannen?

Grote vraag is hoe je dit inzicht kunt vertalen naar een plan. Een plan dat je kunt toepassen voor jezelf en voor anderen. Bijvoorbeeld in maakonderwijs! Ik vind het inzicht dat decoreren een waardevolle fase is heel belangrijk. En dat pauze en lummelen goede fases zijn. En dat strakke stappenplannen en korte lessen misschien wel teveel focus geven. En kwetsbare gedachten wegsnoeien. Eeuwig zonde. En die meisjes uit dat rapport: die doen het dus misschien zo gek nog niet.

Goed, ik denk door. Wordt vervolgd: dit blog is de eerste van een serie van 5.

Blog 2: denken over denken; over saaiheid en actie lees je hier.